Tenos

Handleiding mobiliteitsbudget 2026

1. Inleiding

Het mobiliteitsbudget werd in 2019 geïntroduceerd als onderdeel van de federale wetgeving om duurzame mobiliteit te promoten. Werknemers die recht hebben op een bedrijfswagen kunnen deze inruilen voor een budget dat ze vrij kunnen besteden aan alternatieve vervoersmiddelen.

 

Het budget is opgebouwd rond drie pijlers:

  • Pijler 1: Milieuvriendelijke bedrijfswagen – Een kleinere, groenere wagen.
  • Pijler 2: Duurzame vervoermiddelen – Inclusief openbaar vervoer, fiets, deelauto’s en zachte mobiliteit.
  • Pijler 3: Cash-uitbetaling – Het resterende bedrag, belast met een sociale bijdrage van 38,07%.

 

Werknemers die dicht bij hun werk wonen of voornamelijk openbaar vervoer gebruiken, kunnen significant besparen door hun bedrijfswagen in te ruilen voor een mobiliteitsbudget.

Het systeem is fiscaal aantrekkelijk: uitgaven in pijler 1 en 2 zijn vrijgesteld van belastingen en sociale bijdragen, terwijl pijler 3 een beperkte belasting kent. Tot 2025 was de invoering vrijwillig, maar de regering-De Wever (regeerakkoord 2025-2029) streefde naar een bredere adoptie om verkeerscongestie en emissies te verminderen.

Met de recente wijzigingen die op 1 januari 2026 in werking zijn getreden, wordt dit systeem verder aangescherpt om bij te dragen aan de groene transitie en de reductie van CO2-uitstoot. Hieronder belichten we de kernwijzigingen, de structuur van het budget, voordelen, uitdagingen en praktische implicaties voor werkgevers en werknemers.

Hoewel de oorspronkelijke plannen een verplichte invoering voorzagen vanaf 2026 is deze verplichting uitgesteld naar 2027 voor de meeste bedrijven, met verdere fasering voor kleinere ondernemingen. Dit geeft organisaties extra tijd om zich voor te bereiden terwijl directe aanpassingen zoals strengere emissienormen wel onmiddellijk gelden.

 

2. Kernwijzigingen vanaf 1 januari 2026

Vanaf 1 januari 2026 treden enkele significante aanpassingen in werking, gericht op verduurzaming en indexering. Deze wijzigingen zijn vastgelegd in recente wetgeving en circulaires van de FOD Financiën.

 

2.1 Inwerkingtreding

  • Referentiedatum 1 januari 2026: vanaf deze datum geldt het hervormde systeem.​
  • Verplichting voor werkgevers om een mobiliteitsbudget aan te bieden aan werknemers met recht op een bedrijfswagen wordt ingevoerd, maar de effectieve deadline verschilt naargelang de grootte van de onderneming en is voor sommige verplichtingen uitgesteld tot 2027 of later.​
  • De vroegere toegangsdrempel van 36 maanden bedrijfswagenhistoriek (ononderbroken periode) wordt afgeschaft, wat de instap voor nieuwe werkgevers vergemakkelijkt.​ 

 

2.2 Strengere emissienormen

  • Pijler 1: Alleen nog voertuigen zonder CO2-uitstoot (100% elektrisch) komen in aanmerking als milieuvriendelijke bedrijfswagen. Plug-in hybrides of voertuigen met lage emissies (bijv. <50 g/km) worden uitgesloten. Deze regel geldt voor nieuwe aankopen of leasecontracten vanaf 2026. Bestaande contracten van voor die datum blijven geldig. 
  • Pijler 2: Gemotoriseerde voertuigen onder ‘zachte mobiliteit’ (bijv. elektrische steps of scooters) moeten eveneens zero-emissie zijn. Niet-gemotoriseerde opties zoals fietsen blijven ongewijzigd.

Deze maatregelen sluiten aan bij de bredere fiscaliteit rond bedrijfswagens waar vanaf 2026 het voordeel alle aard (VAA) voor niet-elektrische wagens stijgt en het minimum VAA-bedrag naar €1.690 wordt opgetrokken.

 

3. Indexering van bedragen

De minimum- en maximumbedragen voor het mobiliteitsbudget worden jaarlijks geïndexeerd. Voor 2026:

  • Minimum: €3.233 per jaar.
  • Maximum: 20% van het bruto jaarloon, met een absoluut plafond van €17.244 per jaar.

Het budget wordt berekend op basis van de Total Cost of Ownership (TCO) van de referentiewagen.

 

4. Uitstel van de verplichting

Oorspronkelijk zou het mobiliteitsbudget vanaf 1 januari 2026 verplicht worden voor alle werkgevers die bedrijfswagens aanbieden. Door vertragingen in de wetgevende procedure is dit uitgesteld:

  • Vanaf 1 januari 2027: Verplicht voor bedrijven met meer dan 50 werknemers.
  • Vanaf 1 januari 2028: Verplicht voor bedrijven met 15-50 werknemers.
  • Vrijstelling: Bedrijven met minder dan 15 werknemers.

Dit uitstel werd bevestigd door de ministerraad op 9 januari 2026 via een voorontwerp van wet dat nog door de Raad van State en andere instanties moet maar 2026 geldt als startpunt met overgangstermijnen.

 

Let op: Hoewel de deadline voor grote bedrijven 2027 is moeten bedrijven nu al hun car policies aanpassen. Werknemers die vandaag een nieuwe wagen kiezen leggen hun mobiliteit vaak vast voor de komende 4 tot 5 jaar.

 

5. De drie pijlers in detail

Het mobiliteitsbudget behoudt zijn driedelige structuur, maar met de bovengenoemde updates:

 

Pijler Beschrijving Fiscaliteit Wijzigingen 2026
Pijler 1: Milieuvriendelijke bedrijfswagen Financiering van een elektrische wagen, inclusief laadpaal en accessoires. Vrijgesteld van belastingen en RSZ-bijdragen. Enkel zero-emissie voertuigen; geen hybrides meer.
Pijler 2: Duurzame vervoermiddelen Openbaar vervoer, fietsleasing, deelwagens, parkeerkosten, etc. maar ook huisvestingskosten onder voorwaarden. Vrijgesteld. Zero-emissie voor gemotoriseerde opties.
Pijler 3: Cash-uitbetaling Resterend budget aan het eind van het jaar. Belast met 38,07% bijzondere werknemersbijdrage. Geen wijzigingen, maar resteert na prioritering van pilaren 1 en 2.

Werkgevers kunnen voorwaarden stellen, zoals een minimumpercentage voor pijler 2 om duurzaamheid te bevorderen.

 

6. Voordelen voor werknemers en werkgevers

6.1  Voor Werknemers

  • Flexibiliteit: Keuzevrijheid in mobiliteit, afgestemd op persoonlijke behoeften (bijv. stedelijk vs. ruraal).
  • Duurzaamheid: Bijdrage aan milieudoelen met fiscale voordelen.
  • Financieel: Potentieel hogere netto-inkomsten door belastingvrije uitgaven.

 

6.2   Voor Werkgevers

  • Kostenefficiëntie: Vermindering van fleetkosten door verschuiving naar groenere opties.
  • Aantrekkelijkheid: Modern HR-beleid om talent aan te trekken.
  • Compliance: Voorbereiding op toekomstige verplichtingen vermindert risico’s.

 

7. Uitdagingen en Implementatie

Werkgevers die het mobiliteitsbudget willen implementeren of aanpassen aan de nieuwe regelgeving moeten rekening houden met verschillende aspecten:

 

7.1 Administratie

De administratieve last kan aanzienlijk zijn, vooral bij het bijhouden van uitgaven binnen de verschillende pijlers. Veel werkgevers kiezen ervoor om samen te werken met gespecialiseerde mobiliteitsproviders die digitale platforms aanbieden voor eenvoudig beheer en rapportage.

  • Werk bestaande mobiliteits‑ en leasepolicy bij met de nieuwe regels, inclusief selectiecriteria voor voertuigen, regels voor woonwerkverplaatsingen en declaratie‑procedures en zorg dat de berekening van de TCO transparant is. Sinds 2024 is een wettelijke formule voor TCO beschikbaar (op basis van werkelijke kosten of forfait), wat discussies met werknemers vermijdt.
  • Breng in kaart welke werknemers momenteel bedrijfswagens hebben of daarvoor in aanmerking komen.
  • Herzie wagenpark- en verloningsbeleid om uitlijning met nieuwe duurzaamheidsfocus te waarborgen.
  • Pas contracten aan in lijn met nieuwe definities van emissievrije voertuigen. De keuze van de werknemer wordt vastgelegd in een addendum bij de arbeidsovereenkomst.
  • Boek en verwerk de verschillende mobiliteitsuitgaven via payroll.
  • Herbereken jaarlijkse en indexeer.
  • Bewaak de kosten. Uitgaven binnen pijler 1 en 2 moeten gemonitord en verantwoord worden.

 

7.2 Communicatie

Communicatie naar werknemers is cruciaal voor succesvolle implementatie. Werknemers moeten goed geïnformeerd worden over hun opties, de fiscale implicaties van hun keuzes en de praktische aspecten van het gebruik van hun mobiliteitsbudget.

 

Ontwikkel duidelijke interne communicatie over waarom, wanneer en hoe de overgang wordt georganiseerd  om verwachtingen en keuzes te kaderen en om adoptie te stimuleren:

  • De berekening van het budget (TCO‑principe)
  • De bestedingsmogelijkheden per pijler
  • De fiscale impact (met name op pijler 3)

 

De hervorming past binnen bredere duurzaamheidsdoelstellingen. HR kan dit koppelen aan CSR‑initiatieven (bv. fiets‑ stimulansen, ecologische mobiliteitsplannen) en retentie. In de huidige krappe arbeidsmarkt is het mobiliteitsbudget een krachtige troef. Werknemers vragen steeds vaker om flexibiliteit (bijv. de combinatie van een kleinere elektrische wagen met een elektrische fiets en tussenkomst in de huur).

 

7.3 Overgangsperiode

De overgangsperiode maakt beleidsaanpassing voor leasecontracten en wagenbudgetten noodzakelijk. Wanneer werknemers een mobiliteitsbudget kiezen moet rekening gehouden worden met bestaande leasecontracten: zij kunnen meestal pas overstappen na afloop van hun lease‑termijn tenzij in specifieke gevallen anders is overeengekomen.

 

Overweeg pilootprojecten (bijv. binnen bepaalde diensten) om ervaringen te verzamelen vóór volledige uitrol. KMO’s kunnen nu nog vrijwillig starten met het systeem om soepel over te gaan vóór hun verplichte deadline.

 

8. Conclusie

De wijzigingen aan het mobiliteitsbudget vanaf 1 januari 2026 markeren een stap naar een groenere, flexibelere mobiliteit in België. Door emissienormen aan te scherpen en bedragen te indexeren, stimuleert de wet duurzame keuzes terwijl het uitstel van de verplichting praktische voorbereiding mogelijk maakt. Voor organisaties is dit een kans om innovatief HR-beleid te ontwikkelen. Werkgevers worden aangespoord om nu al hun mobiliteitsbeleid te herzien, hun infrastructuur aan te passen, systemen te digitaliseren en hun personeel goed te informeren. Toekomstige updates, zoals de definitieve wetgeving in 2026, zullen verdere verheldering brengen.